Geschiedenis van het dorp Hoeke

 “De tijd van toen”, maar schijn bedriegt! Want ooit was dit kleine dorpje waar nu 148 mensen wonen een Middeleeuwse havenstad. De eigenlijke stichting van Hoeke is moeilijk vast te stellen. Gelegen aan de oevers van de Middeleeuwse waterinham het Zwin, was ons dorp ooit een belangrijke stad, gesticht door Duitse kooplieden uit Lübeck, die zich hier omstreeks 1250 vestigden. Het was een voorhaven van het bekende Brugge dat zijn rijkdom in de 13e-15e eeuw verwierf. Het ontstond in een hoek gevormd door de Bloedlozendijk en de Evendijk, nu Krinkeldijk genaamd. Deze dijken werden door de mens aangelegd om de talrijke overstromingen van de zee over het kustgebied te beperken en vormde een deel van de 21 km lange zeedijk tussen Uitkerke en Damme.

De oudste vermelding van het dorpje Hoeke dateert uit 1252. In 2002 was dit dus 750 jaar geleden. In scheepvaartverordeningen, uitgevaardigd door gravin Margaretha van Constantinopel en haar zoon Gwijde van Dampierre, wordt Hoeke vermeld als tolkantoor en als veilige schuilhaven tijdens de wintertijd. De plaats is in deze periode een belangrijke havenstad, waar goederen zoals katoen, stoffen, granen, specerijen, hout en materiaal voor de scheepsbouw zoals masten, zeilen en koorden worden verhandeld. Er was eveneens een graan- en vismarkt. Als havenstad was Hoeke een getijdenhaven. Het heeft geen kaaimuren gehad, maar er waren zeker houten staketsels of aanlegsteigers waar bij hoog water opgevaren zeeschepen konden aanmeren en een zekere beschutting vonden bij laag water. In de 14e eeuw verheft Gwijde van Dampierre (1279-1304) Hoeke tot vrije stad waarbij een eigen wapenschild wordt toegewezen. Dit wapenschild bestaat uit een rood schild met drie liggende zilveren halve manen, die in 1594 onder Filips II een gouden kleur aannemen wanneer Hoeke verenigd wordt met de nu verdwenen stad Monnikenrede en de andere bekende voorhavenstad Damme. 

Na iedere bloeiperiode kent men ook een periode van verval. Ook de stad Hoeke kon hier niet aan ontkomen. Verschillende oorzaken zorgden er voor dat Hoeke zijn faam als stad verloor: in 1404 werd Hoeke overstroomd door de Elisabethvloed; in mei 1405 vielen de Engelsen binnen te Hoeke; in 1488 wordt de zeedijk te Hoeke door oorlogsgeweld doorbroken door Joris Picavet; in 1485 en 1528 waren er twee grote branden. Ook de verzanding van de Zwinarm, talrijke natuurrampen zoals overstromingen en branden, maar ook de godsdienstoorlogen (Geuzentijd) eind 16e eeuw, betekenen de genadeslag voor Hoeke, Monnikerende en Damme. Tijdens de 16e en 17e eeuw is Hoeke een verwoeste en verlaten stad, wiens luister van weleer verdwenen was. Pas in 1795 wordt Hoeke onder het Franse bewind opnieuw een zelfstandige gemeente. In tegenstelling tot vroeger werd Hoeke een eenvoudig stil polderdorp. De Middeleeuwse Zwinarm was verdwenen, de huidige kustlijn was gevormd en Hoeke werd dankzij de vruchtbare kleigrond een rustig landbouwdorp. Tot in 1970 kon Hoeke zijn zelfstandigheid behouden, maar door de fusiewetten in 1970 werd Hoeke verenigd met Lapscheure en Moerkerke. Door de fusies uitgevoerd in 1977 wordt Hoeke de kleinste deelgemeente van de stad Damme.